1/3
Spot 3, keuken

Eet smakelijk!

En hier zien we de kinderen van de boer en boerin. Ze zitten net aan tafel. Het is een groot gezin met zes kinderen. Er wordt vaak hetzelfde gegeten. Als ontbijt eten ze pap, pannenkoek, aardappel of brood met reuzel, stroop en af en toe jam. Als hoofdmaaltijd eten ze meestal een stamppot met veel aardappelen of een gerecht van peulvruchten, zoals bruine bonen en erwtensoep. Rijke mensen konden vaker vlees, vis en zuivel kopen. Behalve je rijkdom, bepaalde de plaats waar je woonde het menu. Aan de kust of dichtbij de rivier aten mensen meer vis. In andere gebieden juist meer vlees. Vlees en vis was duur, dus er werd  zoveel mogelijk van het dier gebruikt. Daardoor ontstonden lokale gerechten zoals bij ons balkenbrei en kruudmoes. Hier op het platteland moesten de meeste mensen tot 1950 zelf hun voedsel verbouwen om van te eten.

Het is lastig om eten langer te bewaren. Vocht, zuurstof en temperatuur hebben invloed op de houdbaarheid van eten. Het meeste eten bederft snel als je het niet bewerkt. We noemen dat bewerken ‘conserveren’. De eerste boeren in Nederland wisten al welke technieken je daarvoor moet gebruiken. Om groenten te bewaren, werden ze meestal gezouten. Soms werden ze gedroogd. Vlees werd gerookt of gedroogd. Ook wecken werd veel toegepast. U ziet daar straks iets van terug in onze kelder.
Gaandeweg maakten de mensen kennis met andere smaken. Sommige specerijen uit andere landen, zoals peper, werden goedkoper in Nederland. Daarnaast kwamen er meer mensen uit andere landen in Nederland wonen en werken. Die mensen namen recepten en ingrediënten mee uit hun geboorteland.

Volgende